GALM State of the Union 2009

01-okt-’09 GALM State of the Union 2009

STATE OF THE UNION
No songs, no fun
GALM
Het Depot, Leuven, 29 september 2009

Goedenavond,

In naam van GALM heet ik u allen van harte welkom. Mijn naam is Luc Gulinck, en als jurist gespecialiseerd in auteursrecht en aanverwante en bestuurslid van de VZW GALM, werd ik afgevaardigd om vandaag het programma te openen. Het leek ons zinvol dat te doen met een State of the Union, een beschrijving van de toestand van het auteursrechtelijke veld in ons land vandaag, vanuit het standpunt van de auteur-songwriter, wiens job volgens ons – da’s zoals u weet de insteek van deze avond – binnenkort misschien als knelpuntberoep zal moeten gekwalificeerd worden. Deze korte voordracht (u weze onmiddellijk gerustgesteld…) dient dan tevens als vertrekpunt voor het debat van straks tussen de hier aanwezige panelleden.

Bij wijze van deur om mee in huis te vallen, citeer ik u meteen uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Geen kattenpis inderdaad, maar wel recht af op de kern van de kwestie. Want wat lezen we in artikel 27 van deze hooggestemde verklaring van de Verenigde Naties, die vorig jaar haar zestigste verjaardag vierde? “Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan. Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.”

Voor een goed begrip van het bredere kader waarin we ons bevinden, is het ook goed even te vermeien bij de juridische grondslag van het auteursrecht. Aan de basis van ons westerse rechtssysteem ligt namelijk initieel de materiële eigendom (denk: roerende en onroerende goederen). Die wordt onderbouwd en beschermd doorheen het zakenrecht, het burgerlijk recht, het strafrecht, het familierecht, en ga zo maar door. Sinds het ontstaan van de boekdrukkunst kwam gaandeweg echter evenzeer een stelsel van juridische bescherming van immateriële, intellectuele eigendom tot ontplooiing. Het auteursrecht is daar, naast o.a. het merkenrecht en het octrooirecht, de meest prominente tak van.

Maar waar de bescherming van materiële eigendom redelijk absoluut is, is dat niet het geval voor de intellectuele eigendom. Materiële eigendom is onbeperkt in de tijd, wordt via erflating doorgegeven, wordt hoogstens ingekort door bijv. onteigening (tot nut van ’t algemeen) of zogenaamde erfdienstbaarheden (dit zijn zakenrechtelijke uitzonderingen op het eigendomsrecht, bijvoorbeeld de verplichting van de eigenaar van een terrein om in een welomschreven situatie doorgang te verlenen aan zijn buur). In auteursrecht en nevenrechten echter, beide onderdeel van de intellectuele eigendom, is de eigendomsbescherming niet onbeperkt, maar gelimiteerd in de tijd: tot 70 jaar na het overlijden van de auteur, tot 50 jaar na het vastleggen van de prestatie van een uitvoerende kunstenaar. Op het auteursrecht en de nevenrechten bestaan ook vele uitzonderingen, omdat de wetgever geoordeeld heeft dat intellectuele eigendom een mate van toegankelijkheid moet behouden die niet door enige eigendomsclaim van de rechthebbende kan worden afgeschermd: denk aan het gebruik van werken in het onderwijs, de uitzondering betreffende de privé-kopie, het citaatrecht, enz.

Een en ander komt er dus op neer dat de maatschappij door middel van het recht haar visie heeft verankerd dat de bescherming van immateriële eigendom lang niet zo verregaand en uitgebreid moet zijn als de bescherming van materiële eigendom. Met andere woorden en ietwat boud gesteld: in onze westerse maatschappij wordt meer belang gehecht aan bakstenen dan aan een symfonie… Een even bona fide lezing is echter dat het maar normaal is dat vruchten van de geest op een bepaald moment verhuizen naar het collectieve erfgoedbestand van de maatschappij (het zogenaamde publiek domein), er vrijelijk kunnen circuleren en aangegrepen worden door anderen dan de auteur, teneinde het geestesleven van de samenleving in het algemeen naar een hoger niveau te tillen.

Het gaat hier om afwegingen van de meest subtiele orde. Het auteursrecht, en ook de kwestie van de vergoeding van een auteur, wordt al sinds mensenheugenis heen en weer gestuiterd tussen die vier polen, als een bal in een flipperkast: tussen het recht van het individu om deel te hebben aan het culturele leven en het recht van de auteur op bescherming van de vruchten van zijn intellectuele werkzaamheden enerzijds (beide geconsacreerd in het bewuste artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens), en anderzijds de pure weging in waarde tussen immateriële eigendom en materiële eigendom.

Wat hebben we echter de afgelopen jaren, in het zog van de digitale revolutie kunnen constateren? Dat van alle kanten wordt ingebeukt op dat precaire draagvlak, op die gewogen entente: door consumenten, door overheden en politici, door cultuurexploitanten, cultuurprogrammatoren, ambtenaren en ministers in wier mond het woord “participatie” bestorven ligt, ondernemers en vrije jongens, en soms ook door auteurs zelf. Wat die laatste betreft, in de eerste plaats uit onbegrip voor de onvermijdelijke complexiteit van de juridische omkadering van hun sector. En aldus komt het ons voor dat in de genuanceerde weging van de zonet geschetste elementen, alle zwaarte langzaam aan het verschuiven is naar de gebruikers, terwijl het auteursrecht wordt voorgesteld als zijnde van een ondraaglijke lichtheid, die maar beter wordt afgeworpen. Meer nog: auteurs, en het auteursrecht zelf, zien zich te allen kante omsingeld door het misprijzen van de buitenwacht, die hen lijkt te zeggen dat aan creativiteit geen verdienste is, dat muziek vanzelf uit de kraan komt en dat de veelvraat geheten “consument” overal, op elk moment en vooral gratis zijn honger naar entertainment mag bevredigen.

De grote cultuurfilosoof Luc De Vos – u zeker bekend van de zinsnede “De middenstand regeert het land”, die in deze context op haar plaats is – liet het onlangs nog optekenen in het klassieke Gentse standaardwerk Zone 09: “Voor het overgrote deel van de mensen in dit land is popmuziek en bij uitbreiding cultuur een activiteit apart, te vergelijken met bijvoorbeeld filatelie, modelbouw of ornithologie.” Met andere woorden, de beoefenaar ervan wordt af en toe wel eens het geluk en de tegeldemaking van een zeldzame postzegel gegund, maar voor het overige gaat het voor de goegemeente over iets dat een mens na de werkuren doet en waar verder niet te hoog van opgegeven moet worden.

Dat is uiteindelijk ook wat auteurs voelen bij de golf van kritiek die SABAM de afgelopen maanden moest incasseren. Ze wordt voornamelijk geleverd door mensen met een verborgen mercantiele of politieke agenda, die zich niet gehinderd weten door ook maar een flinter gedegen kennis van het auteursrechtelijke veld en/of van het amusementsbedrijf. Dat SABAM nagenoeg alle muzikale auteurs in dit land vertegenwoordigt, lijkt niemand te beseffen. Evenmin dat de demonisering van SABAM in hoofde van sommigen eigenlijk een beschadigingsoperatie is gericht op het auteursrecht an sich. Waarom horen we de honderden, duizenden auteurs niet die zullen bevestigen dat ze wel degelijk via hun auteursmaatschappij krijgen waar ze recht op hebben? Dat ze hun creatieve inspanningen geldelijk beloond zien door tussenkomst van deze bondgenoot aan wie ze een mandaat hebben gegeven? Die auteursmaatschappij doet uiteindelijk niet meer of niet minder dan wat haar binnen het kader van de auteurswet is vergund, namelijk innen voor de exploitaties die daarin worden beschreven. Daarover berichten en nuanceren, valt media een stuk moeilijker, zeker in deze tijden van het badinerende en snappy bericht. Zo heeft bijvoorbeeld geen enkele commentator de moed om, als het over betalingen voor muziek in kindercrèches gaat (voor weerloze bloedjes van ukken, ocharme…), eens aan te stippen dat de fruitpap daar ook niet gratis en voor niets in grote tankwagens door wilde weldoeners van fabrikanten en fruittelers wordt geleverd. Alweer het immateriële tegenover het materiële: waaraan hechten we in welke mate belang?

SABAM is een gemakkelijk doelwit (niemand houdt immers van een instantie waaraan geld moet afgedragen worden), en de verborgen agenda van haar tegenstanders bestaat. Men zal dat in alle toonaarden ontkennen, maar zo voelen auteurs die van hun werk moeten leven het wel aan. Worden zij in het debat gehoord? Zelden of nooit. Hebben politici de reflex om hen uit te nodigen aan de tafels en cenakels waar beslissingen worden genomen? Geenszins. Hun verkiezingscampagnes aanzetten met muziek of smeken om een benefietje te doen voor de goede zaak, dat wel, maar wanneer het de levensbelangrijke omkadering van het beroep betreft, gaan de lijnen naar onze gilde (en bij uitbreiding die van de uitvoerende artiesten) abrupt dicht. De SABAM-mantra wordt eindeloos herkauwd: te allen prijze moet de mythe in stand worden gehouden dat ze een oubollige, logge machine is, ontransparant en onwillig, die er daarenboven niet in slaagt het geld dat ze int bij de auteurs te doen toekomen, of erger nog: dat zelfs niet wenst en de fondsen in eigen zak steekt. Dit terwijl alle Europese auteursmaatschappijen sinds het Cannes Agreement in 1997 een gedaanteverwisseling in uiterst positieve zin hebben ondergaan, niet in het minst SABAM, dat door velen in het Europese veld – het mag gezegd – tot de meest performante wordt gerekend.

Politieke verantwoordelijken en populisten (ik deel ze welbewust in verschillende categorieën in, maar u zal het met me eens zijn dat een zekere overlapping bestaat) maken er aldus een sport van om nietsontziend tegen de haren van de artistieke gemeenschap in te strijken, in het volle bewustzijn en de comfortabele overtuiging dat daarmee bij de kiezer gescoord wordt. De minister die verantwoordelijk is voor de intellectuele eigendom lijkt wel de grootste vijand ervan, en mag hem naar willekeur onderuithalen. Wat moeten we anders denken van iemand die voor de camera’s zwaait met zijn gekraakte i-Phone? Die meent te kunnen wegkomen met een verbouwing, tegen alle Europese regelgeving in, van de wettelijke uitzondering op het gebruik van partituren in het onderwijs? Dat die steels in een bulkwet ondergeschoven wetswijziging een paar maand later over heel de lijn door het Grondwettelijk Hof wordt vernietigd, daar horen we betrokkene uiteraard niet over, en ook in de pers wordt er niet meer over gekikt. Of toch: op de ruimte van een postzegel, onderaan rechts op bladzij 24 van de krant.

Beleidsmakers in dit land maken aldus ook volmondig duidelijk dat ze de creatieve sector als economisch gegeven totaal niet au sérieux nemen. Dit in tegenstelling tot hun ambtgenoten in ons omringende landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, die niet alleen de culturele maar ook de economische component ervan hoog in het vaandel voeren. Door onophoudelijk de auteursrechtelijke bescherming van auteurs af te vallen, tonen onze beleidsmakers zich ongecomplexeerd inciviek tegen een hele beroepsgroep. In plaats van hun aanhankelijkheid te belijden aan de bestaande en in deze moeilijke tijden broodnodige auteurs- en nevenrechtelijke regelgeving, en onvervaard toe te zien op de naleving ervan. In plaats van zich in te spannen om aan de burger duidelijk te maken dat de artistieke creatie uit haar aard kwetsbaar is en maar kan blijven voortbestaan bij de gratie van het respect dat het publiek ervoor betoont. Ook wanneer het gaat om nieuwe of te actualiseren regelgeving, zijn de Belgische autoriteiten zelden of nooit op de afspraak. Van auteurs, uitvoerders en andere rechthebbenden wordt echter wel verwacht dat ze zich stante pede verzoenen met elk nieuw businessmodel dat in het wild opduikt. Dat ze zich ongebreideld plooien naar de grillen van de markt, terwijl die net oneindig volatiel is….

Tel alles samen, en het moge duidelijk zijn dat dit desastreuze ontwikkelingen zijn, vooral in een klein land als België en a fortiori in een kleine cultuurgemeenschap als Vlaanderen. Het is hier al veel langer dan vandaag voor muziekmakers in spe uitermate moeilijk om de stap te zetten naar een professioneel bestaan in de muziek. Velen zijn geroepen en weinigen uitverkoren, da’s elders niet anders zult u zeggen. Maar in een in beginsel klein afzet- en taalgebied als het onze telt iedere euro om het verschil te maken tussen ofwel een professionele, financieel lonende creatieve bedrijvigheid, ofwel gezapig hobbyisme. Als men vanuit het beleid voortgaat op deze onfortuinlijke weg, dit laag-bij-de-grondse discours blijft aanhouden en effectief in de feiten de auteur ontzegt waar hij recht op heeft, faciliteert men het failliet van een sector. Deze komt in ademnood als de middelen van bestaan voor de belangrijkste pool erin, namelijk de creatieve krachten, stelselmatig uit eigen land en markt worden weggezogen. Zullen komende generaties inlandse muziekmakers het aldus nog aantrekkelijk vinden om van muziek hun beroep te maken of zijn (blijven?) we tevreden met een gelukzalig amateurisme, met in de rand een elite van professionelen die zich door de selecties van een subsidiëringscommissie hebben weten te wurmen? Wordt de job van muzikaal auteur effectief een knelpuntberoep, waarvoor we enkel nog buitenlandse werkkrachten aan kunnen trekken? Uiteraard voornamelijk van Angelsaksische origine? Ik hoef er verder geen tekeningetje bij te maken om u te doen beseffen wat dat zou betekenen voor de muzikale diversiteit in ons culturele landschap.

En zo komt dit hele verhaal dus neer op een maatschappelijke keuze: voor zover men in dit land hoopt in de toekomst nog mensen te vinden die het de moeite waard achten van artistieke activiteit hun leven te maken, draagt het hemeltergende discours zoals het de afgelopen maanden werd gevoerd daar alvast niet toe bij. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de auteurs van vandaag om daarvoor luidop te waarschuwen, hun stem te verheffen en te zeggen waar het voor hen op staat. Bij deze is daar de aanzet toe gegeven.

Ik dank u.
(geschreven door bestuurslid Luc Gulinck)

Posted in: OPINIE

Short URL: http://galm.be/?p=18